Ze is behoorlijk boos. Op zichzelf. Is ze al in de vijftig en er toch weer ingetrapt. Als enige loopt zij van alles te doen en te regelen voor de stichting die ze met vier anderen heeft opgericht. De rest belooft van alles maar laat het elke keer afweten. Neem bijvoorbeeld het evenement van verleden week. Zij had voor sponsors gezorgd, de catering georganiseerd, interessante sprekers opgetrommeld, persbericht uitgedaan… Ze noemt nog een hele waslijst op en zakt dan achterover op de stoel. De adem is op, en de fut is eruit. Ik zeg: “Jij bent er dus maar druk mee geweest.” Ze knikt, en we zijn beiden even stil.

“Wat zou jij eigenlijk anders willen zien, wanneer zou je happy zijn?”, vraag ik dan. Ze denkt na, zucht diep en haalt haar schouders op. “Ik denk dat ik zou willen dat ieder gewoon zijn ding doet, en niet alles op mijn schouders terecht komt.” “Hoe reëel is dat met deze groep?”, vraag ik, mijn wenkbrauwen optrekkend. Ze kijkt me meesmuilend aan en zegt: “Nou, niet. De anderen doen geen mallemoer.” Ik check: “Maar ze vinden de stichting allemaal belangrijk, vermoed ik? Jullie hebben het immers samen opgericht?” Ze beaamt dat volmondig. “Hoe komt het dat ze niets doen terwijl ze het wel belangrijk vinden en ook zeggen dingen te willen doen,” vraag ik door. Nadenkend zegt ze, “Nou, iedereen heeft het druk en ze weten dat als het misgaat ze altijd op mij kunnen terugvallen. Ik zet dan alle zeilen bij en regel het weer. Dus het komt uiteindelijk goed. Nu ook weer, het jaaroverzicht moet gemaakt worden door de penningmeester, maar ik weet zeker dat ik dat ook weer moet gaan doen. Terwijl dat niet mijn taak is als secretaris.”

“Niets doen werkt dus prima voor hen, want dan ga jij redderen en hoeven zij het niet te doen.” “Ja, maar dat wil ik dus niet meer!,” roept ze gefrustreerd. “Ik ben alleenstaand en moet mijn eigen brood verdienen. Dit vreet op deze manier tijd voor mij, tijd waarin ik ook zou kunnen verdienen. Want ik krijg niets voor mijn werk bij de stichting betaald. Dat hoeft ook niet, als het maar blijft bij wat ik heb aangegeven te zullen doen.” “Okay, dat begrijp ik helemaal,” zeg ik. “Ik vind het ook heel logisch dat je er zo inzit. Als je voor die extra uren die je nu draait betaald zou krijgen, zou je het dan niet meer vervelend vinden?”, vraag ik verder uit. Ze denkt even na, en zegt: “Dan zou ik het graag doen. Maar daar is echt geen geld voor.” Ze kijkt me uitdagend aan en zegt: “Je gaat me nu dus vast zeggen dat ik het dan maar moet accepteren als ik dit zo graag ook wil doen, en me (met een ironisch toontje:) ‘gewoon juist moet gaan focussen op de dingen die wel leuk zijn’.” Ze trekt een meesmuilend gezicht.

“Ah”, zeg ik even uitdagend terug, “dan ben je hier aan het verkeerde adres. Want ik zeg juist: Als jij nu eens uit je reddersrol stapt en hetzelfde gaat doen, namelijk niets, wat denk je dan dat er gebeurt?”. Ze is verrast door de gedachte en stamelt dan: “Maar dat kan toch niet, dat doe je toch niet…?”. Ik haal nonchalant mijn schouders op en zeg provocerend: “Waarom niet? De rest doet het ook en het werkt voor hen. Jij bent het sloofje van de vereniging toch niet? Of staat dat in je functiebeschrijving?” Ze moet lachen maar ik zie de frustratie tranen in haar ogen opwellen. Heftig schudt ze nee met haar hoofd, “sloofje” raakt keihard zijn doel.

“Soms,” vervolg ik zacht, “moet je uit je comfort zone om dat te krijgen wat je wil. En dat kan heel vervelend voelen. Maar zoals het nu gaat, gaat het niet langer voor jou. En bovendien ontneem je anderen ook de kans om in hun rol te groeien en te leren dat als ze iets zeggen, er ook geleverd moet worden.” Ze kijkt me verrast aan. Dit is een nieuwe gedachte voor haar.

Het blijft lang stil. Op haar gezicht is de inwendige strijd die ze voert te zien. ““Zo had ik het nog niet bekeken. Dus jij vindt dat ik niets moet gaan doen, en dat ik daar niet alleen mezelf maar ook de anderen juist mee help,” zegt ze dan zachtjes. Ik knik bevestigend en zeg: “Ik denk dat het zeker het proberen waard is. Je gaat nu gewoon redderen op een andere manier: door niets te doen. En soms is dat de actiefste en moeilijkste manier van doen,” zeg ik met een warme lach. Ineens komt de pit weer in haar terug. Ze zegt met een uitdagende glimlach: “Ik denk dat ik daar heel goed in kan worden, eigenlijk.” “Ik twijfel er geen moment aan,” glimlach ik terug.

Een maand later krijg ik een appje. Na een enorme dip, doet iedereen in de stichting nu braaf zijn of haar ding, en meestal heel redelijk op tijd. Ik stuur een duimpje terug.  


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *