Mijn man is geen spontane klusser. Hij kan het, maar hij doet liever wat hij leuk vindt. Ik begrijp dat volkomen. Ik heb er ook niets mee, ik heb mijn vader ook nooit wat zien doen in huis trouwens. Dus voor mij is het normaal en geen probleem. Maar je loopt toch wel tegen dingen aan soms. Zo heb ik al twee keer gevraagd of hij een lampje wil vervangen in de afzuigkap. Ik kook al weken met 1 lampje en, het klinkt misschien zeikerig, het kooklicht is daardoor irritant. Gelukkig is het weer licht ‘s avonds, maar toch…

Ik vraag weer eens of hij ernaar wil kijken. Hij kijkt me met opgetrokken wenkbrauwen aan. “Moet je dat niet eerst eens zelf uitproberen?”, zegt hij uitdagend. Hij is erg van de gelijke rechten. Ik vind het echter prima dat een man klust en de vrouw kookt. Koken, en met name bakken, vind ik namelijk erg leuk. “Nou,”, zeg ik, “ik heb het lampje daar al eens eerder vervangen (echt waar!), maar je weet dat ik onhandig ben en ik ben bang dat ik het dan mol (ook echt waar). Maar ik wil het best proberen hoor,” antwoord ik rustig terug, terwijl ik hem uitdagend aankijk. We zijn even stil. Hij trekt zijn mond zuinig samen terwijl hij het “mol-risico” inschat. Hij zegt, niet verrassend in mijn ogen want hij schat situaties heel goed in: “Nee, ik kijk er wel even naar.” “Ik heb het nieuwe lampje voor je klaargelegd op de vensterbank” zeg ik nog snel, terwijl hij naar buiten loopt. Want je moet het wel gemakkelijk maken voor ze natuurlijk. Nou, ondanks dat en gezien zijn richting die de tuin opgaat houd ik mijn adem niet in en ga weer rustig mijn ding doen.

Ik merk ’s middags bij een stiekeme check dat het lampje het weer doet. Maar het nieuwe lampje ligt er nog. Hij komt de keuken in en ik zeg “Fijn dat je het lampje gemaakt heb.” Verder zeg ik niets. Hij kijkt me aan, haalt zijn schouders op en zegt: “Ik heb het alleen even aangeraakt en het deed het weer.” Hij kijkt me aan, met een scheve, in mijn ogen wat triomfantelijke lach. Het is duidelijk dat hij denkt: wat een mutsje ben je toch! Ik ben verbluft en lichtelijk geïrriteerd met mezelf.  Waarom heb ik daar niet aan gedacht? Hij deed dat trucje al jaren met veel succes op zijn werk. Had ik ook even kunnen proberen. Ik reageer alleen met: “Fijn, want jij zou koken vandaag. Dan heb je goed licht.”

Hij haalt zijn schouders op. Koken kan hij immers ook goed met dat ene lichtje, dat lichtje is maar onzin. Ik ben heel benieuwd, want hij kookt vanavond voor het eerst sinds lange tijd. En het is hem door zijn net gepensioneerde strot gedouwd omdat hij gisteren commentaar had op het door mij gemaakte eten. Wat best lekker was. Dus ik had gezegd: “Nu je met pensioen bent vind ik het niet meer dan normaal dan dat jij ook een keer in de week kookt.” Ook zoonlief, die weer even thuis woont omdat Corona de opleiding heeft stilgelegd, zegt temend: “Ja, pa, dat vind ik ook”. Ik kijk geamuseerd toe en grijp mijn kans: “Nou lieffie, jij kunt natuurlijk ook best 1 dag koken nu je weer thuis woont. Ik zou bijvoorbeeld best zaterdag jouw beroemde risotto willen eten.” De zoon kijkt me verrast aan. Pa schiet de zoon instinctief te hulp: “Zaterdag is brood dag”. Nou moet je weten: dat was bij mij thuis altijd zo, maar niet bij hem. Dus in ons gezin wordt er ook op zaterdag warm gegeten, hoewel ik brood prima vind. Mijn zoon ziet gelijk de voordelen van het voor hem nieuwe fenomeen ‘brood dag’ en valt zijn vader bij. Ik zeg: “Fijn, zaterdag wordt brood dag en jij kunt een andere dag uitkiezen waarop je kookt.” Dat was niet de bedoeling. Mijn man eet geen brood, hij is intolerant voor gluten. Beide heren zijn stil.

Ik heb gesport, en in plaats van nu nog te moeten koken kan ik gelijk aanschuiven. Ik zie blij verrast dat de tafel buiten al gedekt is. In de keuken is hij druk bezig. Ik besluit een steentje bij te dragen door een fruitsalade te maken als toetje. Hij knikt goedkeurend, prikt ondertussen in de worstjes en schrikt: er komt hete vloeistof uit. Hij zegt geïrriteerd: “Nou zeg, die slager stopt ook veel water in zijn vlees!” Ik grijns en zeg: “Je moet er ook niet in prikken, dan worden ze droog.”

Ik zet de salade alvast op tafel en geniet van het late zonnetje. Hij loopt naar buiten en zegt: “Heb jij het gas uitgedaan, nu is de groente niet gaar?!” Ik schiet in de lach en zeg: “Het gasfornuis heeft een kinderslot. Al jaren. Heb je het wel goed aangezet?” Hij gaat weer terug naar de keuken. Dan hoor ik na 15 minuten, “Eten!”. Ik ga braaf naar binnen om mijn bord te halen. Ik stel me er heel wat van voor. Hij weet immers hoe het moet en hoe je iets lekker moet opdienen. Want het oog wil ook wat.

Mijn zoon en ik komen tegelijkertijd in de keuken binnen en zien ons bord. Het ziet er niet uit: een uitgedroogd worstje met niet geraspte, onappetijtelijk uitziende dikke wortels en daarnaast een grote, dikke rode biet die er uitziet alsof die maar 50% gaar is. Zoonlief zegt: “Nou pa, dat wordt weer smullen.” We moeten alle drie grijnzen. Palief haalt zijn schouders op, neemt zijn verlies, en zegt: “Kom op, eten!”. “Zo,” zegt de zoon even later terwijl hij de fles met water pakt, “dat is een fijne droge worst zeg.” Zijn vader zegt: “Ik wilde er een frikandel van maken.” “Nou dat is redelijk gelukt dan, beter dan een sappig worstje”, was het even droge antwoord. Ik zeg alleen “Ik ben benieuwd wat voor culinair hoogstandje we de volgende keer voorgeschoteld krijgen.”

Een ding weet ik zeker: Ik krijg de komende tijd geen kritiek meer op het eten.

Categorieën: FamilyLevensloop

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *