De dochter van een vriendin is overleden na een noodlottig ongeval. En nu is de hele wereld anders. “Sinds San dood is, doet niets er meer toe. Ik leef op de automatische piloot, en het lijkt wel alsof ik in een andere wereld zit. Niets raakt me meer, de dagen gaan voorbij in een waas.” Ze stopt, denkt even na en zegt dan peinzend: “Ik weet niet hoe ik het je beter kan uitleggen eigenlijk, ik ben er wel maar ik ben er niet.” Ze is weer stil en zucht diep.

Ik vraag voorzichtig: “het klinkt voor mij alsof je nu van een afstandje naar een slechte film kijkt, dat je leven is geworden na de dood van Sanne, in plaats van in het leven te staan?” Ze kijkt met een ruk op, proeft de woorden in haar hoofd en knikt dan heftig ja. “Precies”, zegt ze en dan, met tranen in haar stem, “… maar de film mag wat mij betreft wel afgelopen zijn,” zegt ze dan nauwelijks hoorbaar. We zijn samen stil. Dan vraagt ze, met nu ook dikke tranen in haar ogen, “Hoe kan ik dit nou een positief plekje geven? Dat kan toch niet? Heb je enig idee hoe groot mijn verlies is?!”

We zijn weer samen stil. Ik zeg dan heel zachtjes: “De gedachte dat ik een van mijn zonen zou verliezen is voor mij al heel pijnlijk, laat staan dat dat ook echt zo zou zijn – wat jij nu doormaakt elke minuut. On-ver-draag-lijk. Ik vind het echt zo rot dat je dit moet meemaken. Ik heb geen idee hoe intens moeilijk het moet zijn voor jou om elke dag in jouw schoenen te staan.” Ze kijkt me aan, ik zie een traan uit haar rechteroog glippen. Ze strijkt hem boos weg met een snelle beweging. “Sorry hoor”, zegt ze geïrriteerd met zichzelf. Ik wuif het sorry snel weg: “Als er eentje mag huilen, ben jij het wel”, zeg ik alleen maar.

We kijken elkaar aan en dan komt er me toch een ontlading bij haar in de vorm van een hele intense huilbui, met grote snikken en uithalen. Tijdens de huilbui kijkt ze ineens me aan, met zo’n gepijnigde, eenzame blik dat ik gelijk vraag: “Vind je het fijn als ik je vasthoud?” We hebben alle twee geen Corona, dus dat moet kunnen nu, dit is zo’n rauwe rouwpijn. Ze kijkt meteen weer naar beneden en huilt verder, heftig “ja” schuddend. Ik kom naast haar zitten en sla mijn armen om haar heen. Zij slaat gelijk haar armen om mij heen – zo in elkaar verstrengeld en licht wiegend huilt ze door. Na een poosje laat ze me los, gaat rechtop zitten en zucht eens diep. Ik geef haar een glas water, dat ze achter elkaar leegdrinkt. Ze hikt en zegt dan: “Dat lucht wel even op, zeg.” Ik blijf stil haar aankijken.

“Weet je”, vervolgt ze dan, “bijna iedereen zegt maar ‘de tijd heelt alle wonden’ en ‘met de tijd voel je de pijn minder’. Maar het voelt nog alsof ik het gisteren te horen kreeg. Eentje zei zelfs: ‘Joh, dat is toch al zo’n poos geleden. Ben je daar nu nog zo mee bezig? En je andere kinderen dan, die hebben toch ook recht op een leuke moeder?’” Ik kijk haar verbouwereerd aan. “Ja, echt waar”, zegt ze. “Ik word daar zo agressief van, die stomme dooddoeners en pijnlijke opmerkingen. En wat weten zij nou ervan? Ik wil die pijn helemaal niet minder voelen (haar stem breekt). Ik mis haar en dat mag toch?! Het was mijn dochter!”

Ik knik alleen maar en zeg “het is jouw verdriet en van niemand anders. Jij bepaalt hoe je rouwt en hoe lang…” En dan zachtjes: “Maar weet dat ik er voor je ben als je me nodig hebt. Zeg me gewoon waar jij behoefte aan hebt en wat ik kan doen om je te helpen om het lichter te kunnen dragen.” Ze zegt: “Dat ik gewoon even kan praten en verdrietig mag zijn, dat ik me niet hoef groot te houden. Dat is al fijn.” Ik krijg een waterig lachje van haar. “Jank zoveel als je wilt, dat zou ik ook doen,” zeg ik slechts.

Als ze weggaat vraagt ze, kwetsbaar: “Denk je dat het ooit minder wordt?” Ik zeg aarzelend: “De Zweedse schrijfster Anna Enquist verloor ook haar dochter. Zij noemt de periode na de dood van haar kind en tot zij zelf dood zal gaan De Tussentijd.” Ik ben stil. Ze vraagt, terwijl ze de term proeft: “Tussentijd.. dat is dan de  naam voor de periode tot zijzelf óók doodgaat en waarna ze elkaar weer zien?” “Ja”, zeg ik. De vriendin overdenkt het woord en zegt “Tussentijd, de term geeft me op de een of andere troost, begrijp je dat? Het geeft me houvast dat we elkaar weer gaan zien en dat dit afscheid slechts tijdelijk is.” Ze kijkt me met weer een sprankje hoop in haar ogen aan terwijl we afscheid nemen.

Deze column is ook op vrijdag 21 januari 2021 gepubliceerd in de Baarnsche Courant, sectie Welzijn Baarn.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *